Skip navigation

Nieuw blogadres: http://passagenproject.com/blog/

“Wetenschap en schoonheid” is een actueel thema (zie de tentoonstelling in het Museum Boijmans).

Het waarnemen en beschrijven van schoonheid is een hoofdelement in Christiaan Huygens’ laatste tekst, “Cosmotheoros” (1698, zie hier voor een uitvoerige inleiding en samenstelling van eerdere blogs).

“Cosmotheoros” is een lange brief van Christiaan Huygens aan zijn oudere broer Constantijn jr., Christiaans vriend, vertrouwde en naaste medewerker. In het begin van deze openbare brief geeft Huygens zijn motivatie om te schrijven. Hij haalt hierbij de astronoom Archytas aan, die had gezegd: By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen”.



Dus Huygens wil in zijn laatste tekst vooral vertellen over al de schoonheid die hij had waargenomen.

Hij beschrijft de schoonheid en de verzieringen (planten, beesten) op Aarde, en het vermogen van de mens om schonnheid te genieten: [De mens] bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; [hj] eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; [..] schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen.”

Tegelijk komt Huygens er  altijd op terug: deze schoonheid kan niet alleen voorbehouden zijn aan onze Aarde, deze schoonheid zal zeker op de andere planeten en in andere sterrenstelsels ook te vinden zijn:

“Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde?”

En schoonheid alleen op de planeten is niet genoeg,  Huygens is er van overtuigd dat er ook bewoners moeten zijn die de schoonheid kunnen waarnemen: “[…] dat in die gewesten [=op de planeten]  aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen”.


En om schoonheid waar te kunnen nemen moet men kunnen zien (al schrijft Huygens later ook uitvorig over de schoonheid van muziek). Het vermogen om te zien is voor Huygens van hoogste waarde; bij de mensen, en bij de “planetenbewoners”, die naar zijn mening dus ook zeker ogen moeten hebben: ‘”En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.”

De ware schoonheid wordt naar Huygens niet door de naïeve beschouwer waargenomen, maar door de wetenschapper: “Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnigere denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten?”

Het criterium van schoonheid past hij toe als hij nadenkt over het voorkomen van water op andere planeten: het zou vanwege de schoonheid doorzichtig moeten zijn: “Ik zegge nogtans niet dat dat Water [op de planeten] het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is.”

Toch vindt hij dat men schoonheid niet met conventie moet verwarren. Als de planetenbewoners anders uitzien dan wij, dan mogen wij hun niet om esthetische redenen kleineren: “Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt, die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.”

We mogen ook niet denken, dat de “dwaalsterrelingen”, de planetenbewoners, alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen: “Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?



Ergerlijk vindt Huygens het, als men, zoals de jezuïet-astroloog Athanasius Kircher, alleen de planeet Venus schoonheid toe wil schrijven, en Huygens’ lievelingsplaneet Saturnus als vies en lelijk neerzet. Nee, juist de grote planeten Saturnus en Jupiter met vele manen en Saturnus met zijn ring- die zijn pas mooi!


En Huygens besluit zijn laatste tekst “Cosmotheoros” met het beschrijven van andere sterrenstelsels:

“Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.”

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Ik ben verdrietig dat Nasr Abu Zayd
(1943-2010) de Egyptische revolutie niet meer heeft meegemaakt.

Hij is vorig jaar overleden.

Over de ontwikkelingen in Egypte zou hij blij en trots zijn- en sceptisch over de toekomst en de democratisering.


Hij was sinds 1995 balling in Nederland
nadat hij in Egypte tot geloofsafvallige werd bestempeld. Hij beschouwde de Koran als zowel religieus alsook mythisch en literair werk.


Wikipedia: “Abu Zayd gold als groot kenner
van de islamitische stromingenin de islamitische wetenschappen en stelde zich tot doel een te ontwikkelen die moslims in staat stelt hun eigen tradities te verbinden met de moderne wereld van
vrijheid, gelijkheid, mensenrechten en democratie. Op basis van kritisch onderzoek van de Koran en de hadiethliteratuur kwam Abu Zayd onder meer tot de conclusie dat de juridische positie van de vrouw gelijk dient te zijn aan die van de man.”

Ik heb over hem, bevriende wetenschapper, oud-Cleveringahoogleraar en hoogleraar aan de UvH, vele blogs geschreven.

Hier een overzicht.

 


Nasr Abu Zayd kritisch op de Arabische Wereld én op het Westen (November 2009)


Nasr Abu Zayd over wie ik eerder veel heb geschreven levert vandaag in de NRC harde kritiek op de Arabische wereld én op het Westen.

Typisch Nasr om tegen beide partijen tegelijk aan te schoppen.

Nasr houdt altijd een interessante balans tussen pessimisme en optimisme; of tussen realisme en idealisme.

Uit het interview:

“Verandering [in Egypte en in de Arabische wereld] , zegt Abu Zayd, is noch in het belang van de staat, noch in het belang van de Moslimbroederschap. ,,Noch, ben ik bang, van het Westen.”

Waarom niet?

,,Omdat het Westen enorme economische belangen bij de regimes heeft. Het doet er niet toe wat die regimes doen met vrouwen of vrijheid of democratie, zolang die belangen maar worden beschermd.”

Verandering is alleen mogelijk als het gebied wordt overgelaten aan zijn eigen dynamiek. ,,De voortdurende buitenlandse interventies” – Abu Zayd doelt op het kolonialisme, en nu de oorlogen in Afghanistan en Irak en het Israëlisch-Palestijnse conflict – ,,staan een gezonde ontwikkeling in de weg. Godsdienst is de enige toevlucht voor de mensen om zich te beschermen.”

[…]

,,Als geleerde, als dromer moet ik ook optimistisch zijn. Hoe kan een wetenschapper die zijn droom over de toekomst verliest zijn werk voortzetten? Je moet geloven in de mogelijkheid van mensen om hun leven te veranderen, in welke maatschappij ze ook leven.”

nasr abu zayd, arabische landen, westen, optimisme, pessimisme

———————————————————————————————————————

———————————————————————————————————————

Hoe rechts stelselmatig de liberale islam onderuit haalt

Juist omdat ik weet dat rechts alles op alles zet om de liberale islam tegen te werken, bijvoorbeeld ook in zijn meest democratische gedaante zoals Nasr Abu Zayd,  ben ik uiterst wantrouwig tegenover rechts dat nu een enorm grote grote bek trekt.

Terwijl de Leidse professoren Bolkestein en Ellian een voortrekkersrol spelen in de strijd tegen Ramadan, hebben de Leidse neocon-professoren Cliteur en Ellian een voortrekkersrol vervuld in de buitengewoon aanstootgevende strijd tegen hun Leidse collega Nasr Abu Zayd.

In twee uitgebreide artikelen in Civis mundi[1] heeft Paul Cliteur  de moeite genomen de Leidse oud-Cleveringa-hoogleraar en inmiddels WRR-auteur, de liberale moslim Nasr Abu Zayd, als moslim en als wetenschapper onderuit te halen. Cliteur schrijft over Abu Zayd, die in Egypte door de moslimfundamentalisten werd vervolgd:

“Het is natuurlijk wrang wanneer iemand die in zijn eigen land zoveel problemen heeft ondervonden met moslim-fundamentalisme in zijn nieuwe gastland te horen krijgt dat de fundamentalisten in zekere zin gelijk hadden. Toch moet ik dat doen.” (Civis mundi 41, p. 221)

Cliteur weigert Abu Zayd als gelovige moslim te beschouwen. Voor Cliteur is Abu Zayd een afvallige en een atheïst- en het maakt voor hem niet uit wat Abu Zayd zelf hierover zegt. (p.222). Ook kunnen “wij” volgens Cliteur Abu Zayd niet serieus nemen als wetenschapper (p. 225) . Cliteur baseert overigens zijn kritiek op één autobiografisch boek; hij haalt de wetenschappelijke publicaties van Abu Zayd niet aan.

In het tweede artikel When in Rome… herhaalt Cliteur zijn vijandige argumentatie tegen Abu Zayd. Maar deze keer heeft hij ook een Goede Moslim aan te bieden, die hij als kontrast tegenover de Slechte Moslim Abu Zayd kan stellen: Afshin Ellian. Wat Cliteur bij Ellian zo bevalt, dat is het feit dat hij bij Ellian een kritiek “op de islam an sich” aantreft- “niet alleen op de verschillende interpretaties van de islam […] ”. “Dat [de kritiek op de islam an sich] betekent kennelijk dat de zaak niet helemaal hopeloos is .” ( p. 21)   De Goede Moslim Ellian is de volledig geseculariseerde moslim die bovendien slecht spreekt over de islam. Ellian over de islam: “De islam is een structurele wantoestand die al ruim veertienhonderd jaar alle aspecten van opvoeding, cultuur, economie, politiek en omgangsvormen overheerst. [….] Het lijkt op de pest: waar de islam ook komt overheerst armoede, gebrekkige ontwikkeling, analfabetisme, onderdrukking, corruptie, frustratie en vooral geweld.”[2]

Oud-marxist Ellian vervalt hier in een typische denktrant van oud-marxisten: in plaats van de economie als allesbepalende factor, wordt nu de religie als allesbepalende factor gezien. De Parijse hoogleraar arabistiek Mohammed Arkoun: “De overvloedige politieke literatuur vervalt in dezelfde fouten [als het marxisme] als zij van de verdinglijkte, verstarde, tijdloze en gebanaliseerde islam de belangrijkste en onoverkomelijke bron maakt voor alle ideologische afwijkingen, geweld, intolerantie en mislukking in al die samenlevingen waar deze ‘religie’wordt aangehangen.”[3]

Paul Cliteurs kritiek op Nasr Abu Zayd is opmerkelijk, zowel inhoudelijk alsook formeel. Om te beginnen met formele aspecten: Cliteur heeft nooit contact of dialoog gezocht met Abu Zayd. Hij spreekt niet met hem, hij schrijft over zijn Leidse collega. Een subject wordt tot object gemaakt. Mohammed Arkoun, de Parijse hoogleraar Arabisch zegt: “De islam is geen uitdaging van het andere, geen bron van reflectie, geen gesprekspartner, geen samenwerkingspartner voor de Europeaan, het blijft deze derde persoon, het object waarover men spreekt, dat men onder de microscoop legt, reïficeert, opblaast of banaliseert tot er en ideologisch monster overblijft […] “[4]

Arkoun heeft het hier niet eens over een mens, hij heeft het over de islam, die hij graag als gesprekspartner behandeld zou willen zien. Maar Abu Zayd is eens mens en een wetenschapper die van Cliteur tot belachelijk en verachtelijk object wordt gemaakt. Cliteur baseert zijn kritiek op één boek van Abu Zayd. Hij noemt Abu Zayd een balling, maar vertelt er niet bij, dat Abu Zayd professor is in Leiden, en zelfs Cleveringa-hoogleraar was. Het verzwijgen van deze relevante context-informatie heeft een beledigend karakter, te meer omdat Cliteur Abu Zayd de wetenschappelijke competentie meent te kunnen ontzeggen. Het is bijna komisch te noemen, dat Cliteur zich achter de veroordeling van de fundamentalisten stelt, en deze inzake Abu Zayd gelijk geeft. Daarmee geeft Cliteur zichelf als fundamentalist – verlichtingsfundamentalist- te kennen. Mohammed Arkouns opmerking over fundamentalistische intellectuelen treft ook Cliteur: “[…] elke verwijzing naar de leer van de geschapen koran [wordt] krachtig verworpen door de huidige bewakers van de ‘orthodoxie’.  Heel wat intellectuelen zijn medeverantwoordelijk voor deze verwerping omdat ze geen theoretisch belang zien in de modernisering van het islamitische denken en de heropening van het zeer rijke theologische en antropologische debat.”[5]



[1] God houdt niet van vrijzinnigheid , In: Civis mundi; vol. 41 (2002), afl. 4, en When in Rome, do as the Romans do In: Civis mundi; vol. 42 (2003), afl. 1.

[2] Wie is die vrolijke ketter? In: Brieven van een Pers, p. 227.

[3] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 14.

[4] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 13.

[5] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 38.

———————————————————————————————————————

———————————————————————————————————————

Paul Scheffer en Hans Jansen over Nasr Abu Zayd


Vandaag schrijft Hans Jansen weer over Nasr Abu Zayd ( zie ook mijn vorige Jansen/Abu Zayd blog). Hij haalt Paul Scheffer aan, die in Het land van aankomst schrijft over Nasr Abu Zayd.

Hans Jansen:  “Scheffer heeft gemerkt dat deze man [Abu Zayd] zijn weldoeners en asielverleners in zijn geschriften regelmatig als ‘de vijand’ aanduidt. Niet de moslimactivisten die hem wegens vermeende afvalligheid van de islam naar het leven staan zijn voor Abu-Zayd de vijand, maar degenen die hem toevlucht verschaffen.”

Scheffer geeft in Het land van aankomst geen paginanummers voor de door hem gebruikte citaten, maar ik heb een passage gevonden in het boek “Vernieuwing in het islamitisch denken”, die vermoedelijk bedoelt is. Ik citeer hier de hele passage, zoadat iedereen zich ervan kan overtuigen of dit de bewijs is dat Abu Zayd “de niet-moslims als de vijand [blijft] beschouwen” zoals Jansen schrijft.

Mij, niet-moslim, beschouwt Abu Zayd in ieder geval niet als vijand.

Ik zal in een  vervolg-blog ingaan op de door Abu Zayd voorgestelde vernieuwing van het islamitisch denken.

Als met citaten wordt gesmeten, en bovendien niet eens wordt vermeld waar deze citaten vandaan komen, lijkt het me belangrijk even eerst te beginnen de tekst goed te lezen die bedoeld wordt:

Abu Zayd: “De culturele uitdaging waarmee onze islamitische gemeen­schap zeven eeuwen geleden geconfronteerd werd heeft de wij­ze bepaald waarop de geleerden schreven en compileerden; zij verzamelden alles wat in engere of ruimere zin met de Tekst ver­band hield onder de noemer van koranwetenschappen. De uit­daging waarmee wij vandaag geconfronteerd worden, vereist dat wij een andere weg inslaan. Vandaag is ons probleem niet meer dat wij ons erfgoed voor de ondergang of onze cultuur voor versplintering moeten behoeden. Al is dat een probleem dat altijd voor alle gemeenschappen belangrijk is, toch zijn we van mening dat het op dit moment, waarop het bestaan zelf be­dreigd wordt, niet het allerbelangrijkste probleem is. Niemand kan de ogen sluiten voor het verbond van de externe vijand, be­lichaamd in het wereldimperialisme en het Israëlische zionis­me, met de reactionaire krachten die in het binnenland de heer­schappij voeren. En zo zijn wij vandaag in de situatie terechtge­komen dat wij zelf ons eigen voortbestaan moeten verdedigen, nu de vijand er vrijwel in geslaagd is door onze gelederen heen te breken om voor eens en voor altijd te proberen ons van ons ware bewustzijn te beroven en het door middel van zijn culture­le instellingen en media te vervangen door een vals bewustzijn dat moet bewerkstelligen dat wij ons uiteindelijk bij zijn bedoe­lingen met ons neerleggen en ons volledig onderwerpen. De schriftgeleerden in het verleden hebben de uitdaging aangeno­men waarmee zij geconfronteerd werden en zij zijn er tot op ze­kere hoogte in geslaagd het erfgoed voor teloorgang te behoe­den. Het erfgoed dat zij hebben bewaard had niettemin een re­actionair karakter, zoals we eerder hebben aangeduid. [p.59]

Wat zouden wij nu als wetenschappers moeten doen om de uitdaging van tegenwoordig aan te kunnen? Op deze vraag zijn ongetwijfeld verschillende antwoorden mogelijk, omdat weten­schappers verschillende visies hebben op de werkelijkheid waarin wij leven, met al haar invloeden en conflicten. Zij heb­ben immers ook verschillende, uit hun eigen opvattingen en prioriteiten voortvloeiende, visies op de problemen, de dilem­ma’s en de structurering van onze werkelijkheid. Sommigen bij­voorbeeld denken dat onze ware redding te vinden is in de te­rugkeer naar de islam onder toepassing van zijn voorschriften en door de islam ons gehele economische, sociale en politieke leven tot in de kleinste details van het individuele en maat­schappelijke bestaan te laten beheersen. […] Tegenover het tegenwoordige religieuze discours staat de stroming van de vernieuwing. Dat is een stroming die vindt dat wij van de ouden niet alles klakkeloos kunnen overnemen. De ouden leefden immers in hun tijd, waarin zij hun mening vormden, de basis legden voor allerlei wetenschappen, een be­schaving stichtten, een filosofie samenstelden en een denkwijze vormgaven. De som van dit alles is het erfgoed dat zij ons nage­laten hebben. Het is een erfgoed dat nog steeds deel uitmaakt van ons bewustzijn en dat bewust of onbewust invloed op ons gedrag heeft. Wij kunnen dit erfgoed niet buiten beschouwing laten, maar wij kunnen het evenmin aanvaarden zoals het is; wij moeten het opnieuw vormgeven, afstand nemen van wat niet meer bij onze tijd past, de positieve kanten ervan bevestigen en het opnieuw vormgeven in een taal die bij onze tijd past. Deze vernieuwing is onontkoombaar als we onze huidige crisis te bo­ven willen komen. Zij verbindt namelijk onze oorsprong met het heden en het nieuwe met het overgeërfde […]  ”

“Zijn weldoneres en asielverleners”  valt Abu Zayd hier niet aan, zoals Jansen beweert.
Hij verzet zich tegen imperialisme en zionisme, net als vele Westerse intellectuelen.

———————————————————————————————————————

———————————————————————————————————————

Verlichting in het Islamitisch denken: Nasr Abu Zayd


Nasr Abu Zayd heeft veel geschreven over verlichting en Islam. Zijn meest recente tekst Reformation of Islamic thought (2006)  is op internet te vinden, net als zijn Leidse oratie als Cleveringa-hoogleraar The Qur’an : God and man in communication. Verder is in de laatste jaren nog verschenen Rethinking the Qu’ran (2004) . Eind augustus schreef Abu Zayd een artikel in de Volkskrant De gematigde islam bestaat niet alleen, maar wint ook aan invloed.

Abu Zayd gaat vrij ver in zijn kritiek op de islam, veel verder dan andere liberale moslims:
“Er zijn bijvoorbeeld li­berale islamistische intellectuelen, die een vorm van civil society en dus ook van de­mocratie bepleiten, binnen de context van een politieke islam. Waar zij vooral voor terugschuwen is de scheiding van staat en religie, dus een seculiere maatschappij, omdat het Arabische begrip almaniah (secularisme), lange tijd met atheïsme is geas­socieerd. Mijns inziens is secularisme in de zin van de scheiding tussen kerk en staat noodzakelijk voor de opbouw van een civil society, en moet dus ook het meer libera­le islamisme worden bekritiseerd. [Dit slaat bijvoorbeeld ook als kritiek op Tariq Ramadan, M.T]”

Abu Zayd keert zich tegen een orthodoxe interpretatie van de islam, en probeert aan te tonen dat de islam ook andere denkers dan orthodoxe heeft gekend:
“De koran is Gods woord. Alle moslims hebben dit door de eeuwen heen onder­schreven. De discussie ging over de kwestie of de koran eeuwig was, of tijdelijk en geschapen. Dit leidde tot hevige debatten en zelfs tot de vervolging van de aanhan­gers van één van beide posities. De orthodoxe notie van een eeuwige koran leidt er automatisch toe dat de letterlijke betekenis van de tekst de enige ware is. Deze na­druk op de onfeilbaarheid van de heilige tekst is de logische conclusie uit het idee dat de tekst de precieze, woordelijke uitdrukking is van de absolute goddelijke wer­kelijkheid. En terwijl dit idee binnen het christendom als een extremistische doctri­ne werd gezien, omdat de theologie daar gebaseerd was op vier verschillende evange­liën, is het in de islamitische theologie altijd de meest gangbare leer geweest […] . Deze intellectuele strijd tussen islamitische theologen over de precie­ze aard van de koran werd uiteindelijk beslecht in het voordeel van de orthodoxen tegenover de heterodoxen.”

Zelf is Abu Zayd een “heterodoxe” islamitische denker.
“Andere [niet-orthodoxe] scholen in de geschiedenis van het islamitische denken, die een meer rationele interpretatie van de islam voorstonden, zijn steeds meer terzijde geschoven. De orthodoxe theologie is de algemene politieke ideologie geworden van de meeste moslimstaten, enkel en alleen omdat ze gehoorzaamheid als een religieuze plicht ziet en politieke leiders graag wor­den gezien als de representanten van Gods gezag op aarde. ”

De koraninterpretatie die Abu Zayd afwijst omschrijft hij als volgt:
“Aangezien verzet tegen intellectueel absolutisme een belangrijke bedreiging vormt voor politieke dictaturen, probeert men in de islamitische wereld nog altijd om de waarde van vrijheid te ondermijnen door religie als haar tegenstander voor te stellen. Daarom worden begrippen als gedachtenvrijheid, secularisme en Verlichting tot ‘sa­tanische’ begrippen bestempeld. Omdat deze begrippen bovendien allemaal pro­ducten van de westerse cultuur en Europese beschaving zijn, wordt gesuggereerd dat ze de essentiële kenmerken van de islamitische cultuur en beschaving tegenspreken. Daarom moeten ze worden afgewezen, opdat de moslims hun eigen identiteit niet verliezen, en niet alleen voor altijd gedomineerd zullen worden door hun historische vijanden, maar ook cultureel aan hen vastgeklonken zullen zijn. Om de gewone moslims ervan te overtuigen dat er geen enkele uitweg is behalve het vasthouden aan de zuivere islamitische identiteit, wordt de koran gebruikt en uitgelegd als de enige bron van Licht en daarmee ook als de enige bron van Verlichting.”

Dit wijst Abu Zayd af.

Verder legt Abu Zayd uit dat de islam zowel een historische als ook een universele dimensie heeft, die hij als volgt omschrijft:
“De is­lam heeft, net als elke andere godsdienst, meer dan één dimensie. De eerste is de his­torische dimensie, die haar specifieke leer over geloof, ethiek en vroomheid ontleent aan de context van de zevende eeuw. De tweede dimensie is universeler en vertegen­woordigt meer algemeen-menselijke, in zekere zin: verlichte, waarden, die tijd en plaats overstijgen. Deze twee dimensies van de islam zijn telkens onderwerp van dis­cussie geweest.

De historische dimensie wordt door met name rechtsgeleerden als de meest wezenlijke beschouwd, omdat zij met de realiteit, met het handelen van indi­viduen in de maatschappij te maken hebben, en ze er aldus toekwamen de meest wezenlijke doelstellingen van de islam uit de rechtspraktijk af te leiden. Via hun in­ductieve methode leidden zij de volgens hen vijf meest wezenlijke doelstellingen van de islam af: bescherming van het leven, van het nageslacht, van eigendom, van de geestelijke gezondheid, en van de godsdienst. Het is niet moeilijk in te zien dat deze vijf doelstellingen hoofdzakelijk afgeleid zijn uit het islamitisch strafrecht. De eerste is afgeleid uit de straf op moord, omdat vergelding volgens de koran in feite de bescherming van het leven beoogt (koran n, 178-179). De tweede doelstelling is afgeleid uit de straf op overspel. De derde doel­stelling houdt niets anders in dan de straf op diefstal: het afhakken van de handen van de dief. De vierde doelstelling heeft te maken met het verbod op alcohol. In de koran wordt weliswaar geen straf voor alcoholgebruik genoemd maar dit is later ­na de dood van de profeet – wel strafbaar gesteld. De bescherming van de gods­dienst is een principe dat afgeleid lijkt uit de doodstraf op godsdienstige afvalligheid, die later aan de traditie is toegevoegd. Deze straf werd uitgevonden door de rechtsgeleerden: in de koran wordt geen wereldlijke straf genoemd voor hen die de islam de rug toekeren nadat zij zich er eerst toe hadden bekeerd. De doodstraf werd ingevoerd om hoofdzakelijk politieke redenen, toen de bescherming van politiek ge­zag werd gelijkgesteld aan die van de islam.

Een andere lezing van de islamitische heilige teksten zou andere, meer universele doelstellingen van de islam opleveren. Ten eerste zou men dan zeggen dat de leer van de ene transcendente God tegenover het polytheïsme en tegenover de verering van  idolen, als voortbrengselen van de mensen zelf, bedoeld was om de mensen te be­vrijden van het heidendom en om de weg te openen naar rationaliteit. Het tweede doel zou volgens deze lezing het ontstaan van een gemeenschap van gelovigen zijn die niet langer op stamverbanden was gebaseerd. Het derde zou de vestiging zijn van rationeel menselijk gedrag in plaats […] onwetendheid […] . Onwetendheid in die zin, dat iemand zo onderdanig is tegenover de gedragscode die door de stam is opgelegd, dat hij niet kan handelen naar menselijk rationeel be­grip. De islam introduceerde dus rationeel gedrag om [onwetendheid] te vervangen. Ten vierde zou men vanuit deze interpretatie zeggen dat het erom gaat dat sociale recht­vaardigheid in de gemeenschap der gelovigen totstandkomt, wat in de historische context van de vroege islam door het geven van aalmoezen werd bewerkstelligd. Het vijfde doel zou volgens deze optiek het ontwikkelen van menselijk rationeel denken zijn, van reflectie in plaats van het blindelings navolgen van tradities uit het verle­den.

Abu Zayd is een voorstander van het kritisch denken:
“I. kritische kennis behoort de traditie niet klakkeloos na te volgen, omdat dit een onkritische omgang met de doctrines van een school en zijn tradities is die als onge­wenst wordt beschouwd. Deze kritiek op het traditionalisme was natuurlijk gericht tegen de orthodoxe school binnen de theologie, die de letterlijke interpretatie van de hele koran verdedigde. De adepten van deze school meenden zelfs dat al Gods ei­genschappen, alle eschatologische beelden, zelfs het idee dat God door mensenogen gezien zal worden, deel uitmaken van de letterlijk bestaande werkelijkheid. 2. traditionalisme en de letterlijke interpretatie van de heilige teksten die daaruit volgt is geen religieuze plicht; het is zelfs de verzaking van die plicht. God heeft het juist tot een mensenplicht gemaakt om ware kennis te verwerven, en dat is onmoge­lijk als men een traditie onkritisch navolgt. Elke vorm van traditionalisme impli­ceert dat er fouten worden gemaakt, omdat er slechts twee mogelijkheden zijn: of men volgt alle tradities na, ongeacht hoe contradictoir die zijn, of men kiest voor een bepaalde traditie en verwerpt daarmee een andere. Echter, als men een keuze maakt kan men er nooit zeker van zijn dat het de goede was, omdat daar geen enkel criterium voor is. Zelfs God vraagt niet om blinde navolging van zijn boodschap, hij bewijst die via de rede en via wonderen.
3. ten derde moet het idee van consensus of van de waarheid van de toevallige mening van de meerderheid verworpen worden, omdat die niet van zichzelf waar hoeft te zijn. Mohammeds volgelingen waren bijvoorbeeld in de minderheid toen de islam net ontstond en toch is hun overtuiging de ware. Noch het gezag van de meerderheid, noch dat van een of ander traditionalisme kan de redelijkheid van conformering aan een traditie garanderen . ”
(citaten uit:  Abu Zayd, Verlichting in het Islamitisch denken, in Krisis, Tijdschrift voor Filosofie, 74, 1999)

Abu Zayd baseert zich sterk op de rationalistische Islamitische filososoof Ibn Rushd (Averroes, zie ook mijn blog over hem), op de Westerse hermeneutische traditie en op de Duitse filosoof Habermas. Ik wil nog even opmerken dat dit, bij alle respect voor Abu Zayd, niet samenvalt met mijn eigen positie, die ik als veel minder rationalistisch zou willen omschrijven.
Maar dat maakt niet uit, Nasr Abu Zayd is voor mij een zeer interessante dialoogpartner.

Nasr Abu Zayd heeft zich uitgebreid bezig gehouden met de hermeneutiek; moderne tekstinterpretatie dus.

In zijn boek Het heilig vuur,Over de strijd tussen jodendom, christendom en islam schrijft Peter Sloterdik indringend over de noodzaak tot vernieuwing in de montheistische religies. For Sloterdijk is de hermeneutiek een belangrijk middel om de religie te verzachten en “meerwaardig denken” aan te moedigen. [Meerwaardig denken is het tegenovergestelde van zwart/wit denken of dogmatisch denken] .

Sloterdijk:

“De vormen van hermeneutiek, zoals die in de omgang met de heilige geschriften ontwikkeld worden, kunnen eveneens gelden als leerschool voor meerwaardig denken. Dit komt vooral door de omstandigheid dat de beroepsmatige schriftuitleggers zich met een gevaarlijk alternatief geconfronteerd zien. Het handwerk van het interpreteren vraagt uit zichzelf alom derde wegen, want zo­dra het goed en wel begonnen is, komt het voor de onaanvaardbare keuze te staan om de goddelijke boodschap ofwel te goed, ofwel te slecht te begrijpen. Beide opties zouden noodlottige consequenties met zich meebrengen. Zou de uitlegger het heilige boek zo goed begrijpen als alleen de schrijver dat zou kunnen, dan zou hij de in­druk wekken God op de schouder te willen kloppen en verklaren het geheel met hem eens te zijn -een pretentie die de hoeders van heilige tradities niet bepaald appreciëren. Zou hij het daarentegen in strijd met de consensus begrijpen, of sterker nog het boek vol­strekt duister of onzinnig vinden, dan zou er wel eens demonische verstoktheid in het spel kunnen zijn. In beide gevallen voldoet de uitlegger niet aan de norm en stelt hij zich bloot aan de reactie van de orthodoxie, die zoals bekend nooit kleinzerig was wanneer het erop aankwam ketters te laten zien wat de grenzen zijn. De religi­euze hermeneutiek is dan ook a priori op het tussengebied tussen twee vormen van godslastering aangewezen en moet zich daar in evenwicht zien te houden. In geen andere situatie is er een beter motief om voor een derde mogelijkheid te kiezen. Als je niet zo­danig met de bedoelingen van de schrijver mag versmelten dat je de indruk wekt hem beter te begrijpen dan hij zichzelf bij het dic­teren van de tekst begreep, maar ook zijn boodschap niet zo mag miskennen alsof hij een vreemde was die ons niets te zeggen heeft, dan is het uitwijken naar een middenpositie voorspelbaar. Het tus­senrijk van de uitlegging is de vertrouwde omgeving voor het zoe­ken naar een juist begrip van de heilige tekens; principiële onvol­maaktheid biedt voor zulk begrip alle kans. Ik hoef niet omstandig uit te leggen dat deze arbeid in de schemering van een altijd slechts gedeeltelijk onthulde betekenis bij uitstek geschikt is om het extre­misme te breken “( p 112/113)

<!–

Vertalen
Duits Vertaalbureau Duits

De laatste tekst die Christiaan Huygens (1629 – 1695) schreef, het filosofisch schrift “Cosmotheoros” of “Wereldbeschouwer” (1698, postuum gepubliceerd), heeft de vorm van een brief aan zijn oudere broer Constantijn jr. ,  geboren 1628 – een jaar voor Christiaan -, en gestorven 1697, twee jaar na Christiaan.

Titelpagina Cosmotheoros



De titelpagina van de “Cosmotheoros” vermeldt de geadresseerde broer Constantijn als secretaris van stadhouder-koning Willem III. Toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd, werd Constantijn jr. aangesteld als zijn secretaris.


In de Cosmotheoros-brief klaagt Christiaan Huygens dan ook over de lange afwezigheid van Constantijn in Engeland, en betreurt deze afwezigheid, omdat de broers -die verbonden waren door een hechte vriendschap en wetenschappelijke samenwerking – dan niet verder konden werken aan hun telescopen en niet samen naar de sterren konden kijken.

Christiaan (links) en Constantijn Huygens jr

 

 

 

 

 


Christiaan Huygens schrijft een lange brief, om zijn broer te verheugen met een tekst over “buitenaardse” dingen, maar het is duidelijk – en Christiaan schrijft het ook zelf- dat de tekst ook voor andere geïnteresseerden is bedoeld. De tekst hoort thuis in een hele reeks van 17e-eeuwse populairwetenschappelijke publicaties die het Copernicaanse systeem wilden ondersteunen.


Christiaan herinnert zijn broer in deze openbare brief aan het gemeenschappelijk vervaardigen van lenzen en van telescopen, en aan het plezier dat de broers daarmee hadden. Hij herinnert zijn broer ook aan de  steeds langere telescopen die de beiden samen hadden gebouwd.


De broers maakten telescoopobjectieven met steeds grotere diameter en brandpuntsafstand. Omdat deze zeer lange telescopen onder hun eigen gewicht verbogen leidde dat tot hun uitvinding van de buisloze telescoop: het objectief was op een paal gemonteerd; het oculair was op een statief geplaatst.


Wikipedia: “Constantijn presenteerde in 1690 een objectief met een diameter van 190mm, en een brandpuntsafstand van 37,5 m aan de Royal Society[4], die nog steeds zijn handtekening draagt. De Royal Society heeft ook twee andere zeer lange brandpuntsafstand telescoopobjectieven verworven in 1725, beide gemaakt door Constantijn.”

Van de site van het Museum Boerhave kan een publicatie worden gedownload “Een vernunftig geleerde”, over de technische vondsten van Christiaan en Constantijn Huygens.

Uit het hoofdstuk over “Kijkers”:

“Sterrenkijkers zouden Christiaan Huygens gedurende zijn hele leven fascineren. Per slot van rekening was zijn faam te danken aan de ontdekking van de helderste

maan en de ring van Saturnus. Die had hij waargenomen met kijkers waarvan hij de lenzen samen met zijn broer Constantijn had geslepen.”

“Naarmate beide broers de lenzenslijpkunst beter onder de knie kregen, werden hun kijkers steeds langer. Een kijker van 23 voet volgde in het najaar van 1655 en nog langere zouden in de daaropvolgende jaren gemaakt worden. Vooral tussen 1683 en 1687 slepen zij veel lenzen voor kijkers met grote brandpuntafstanden, tot wel 210 voet toe.

In eerste instantie ontwikkelden de gebroeders Huygens steeds langere kijkers om grotere hoekvergrotingen mogelijk te maken, maar zij probeerden tegelijkertijd ook de hinderlijke kleurschifting (chromatische aberratie) in hun lenzen te beperken.”

Zie ook

Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros

Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Ik heb op het Vkblog veel plezier gehad om kunst en literatuur of kunst en eigen foto’s samen te stellen.

Hier mijn Alice in Wonderland-blogs.

In het Haags Gemeentemuseum was in 2008 een tentoonstelling te zien van Pat Andreas schilderijen bij Lewis Carrolls Alice-boeken.

Pat Andrea heeft een
geheel eigen en originele interpretatie gegeven aan de bekende verhalen en nodigt op die manier sterk uit om de Alice-verhalen weer eens te herlezen.

Er hangen een groot aantal van deze illustratieve schilderijen in het Gemeentemuseum. Andrea maakte hij grote werken van 150 x 180 cm.
“Voor elk hoofdstuk maakte hij twee afbeeldingen, waarin zowel de meest roemruchte scènes zijn te ontdekken als minder bekende onderdelen van Wonderland of het land achter de spiegel. De technieken die Andrea gebruikt, zijn al even veelzijdig als het verhaal en de afbeeldingen. Hij gebruikt zowel verf als potlood, de ene keer tot in het uiterste gedetailleerd, zoals de jurk van de Hartenkoningin, de andere keer volstaan een paar duidelijk lijnen om een personage neer te zetten. ”
Soms werkt hij ook met collage.

Alice ziet op de schilderijen heel verschillend uit, en is bovendien geen kind, maar een volwassen jonge vrouw.

Mijn interesse werd gewekt door een schilderij bij het Spiegelland-hoofdstuk “Wool and Water”. Bij Pat Andrea zijn kleurrijke lisdoddes te zien.



Ik herinnerde me geen lisdoddes in de Alice-verhalen.

Hier nog de originele illustratie van John Tenniel:

Bij Pat Andreas schilderijen hangen ook de tekstpassages die erbij horen, in het Nederlands en Engels (klik hier voor de on-line-versie van Through the looking glass ). In de Nederlandse tekst  is sprake van “biezen“, in het Engels gaat het over “scented rushes“.

Maar in de Nederlandse vertaling van C. Reedijk en Alfred Kossmann gaat het in dit hoofdstuk “Wol en water” interessant genoeg over waterlelies:

“Alice liet dus de boot zo maar met de stroom meeglijden, totdat ze zachtjes temidden van de waterlelies dreven. Toen rolde ze haar mouwen op en stak haar armen tot aan de elleboog in het water om een flink stuk van de stengel te pakken te krijgen voordat ze de bloemen afplukte […]
Wat gaf het dat de waterlelies al dadelijk begonnen te verwelken en al hun kleur en frisheid verloren zodra ze ze geplukt had? Zelfs echte waterlelies blijven maar heel kort goed – en deze smolten bijna als sneeuw toen ze aan haar voeten opgehoopt lagen, want het waren bovendien droom-waterlelies – maar Alice merkte het nauwelijks op want er waren zoveel andere wonderlijke dingen om over te denken. “

Carroll heeft hier vermoedelijk een grap gemaakt door bloemen “lisdoddes” (rushes) te noemen, maar in zijn beschrijving iets geheel anders te beschrijven; hij beschrijft bloemen die in groei en uitzien veel meer op waterlelies lijken.

De verwarrende taalspelletjes en de willekeurige namen van de dingen zijn dan ook een hoofdzaak in de (taal) – filosofische Alice-boeken.

Ik zal hier nog meer over vertellen….

———————————————————————————————————————


———————————————————————————————————————



Alice in Wonderland: Jabberwocky/Pat Andrea


In het eerste hoofdstuk van “Through the looking glass” (Alice in Spiegelland) van Lewis Carroll slaat Alice een boek open met een nonsensgedicht.

“…..There was a book lying near Alice on the table, and while she sat watching the White King (for she was still a little anxious about him, and had the ink all ready to throw over him, in case he fainted again), she turned over the leaves, to find some part that she could read, ‘–for it’s all in some language I don’t know,’ she said to herself.
It was like this.

YKCOWREBBAJ
sevot yhtils eht dna,gillirb sawT’
ebaw eht ni elbmig dna eryg diD
,sevogorob eht erew ysmim llA
.ebargtuo shtar emom eht dnA

She puzzled over this for some time, but at last a bright thought struck her. ‘Why, it’s a Looking-glass book, of course! And if I hold it up to a glass, the words will all go the right way again.’
This was the poem that Alice read.

JABBERWOCKY
‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe;
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

‘Beware the Jabberwock, my son!
The jaws that bite, the claws that catch!
Beware the Jubjub bird, and shun
The frumious Bandersnatch!’

He took his vorpal sword in hand:
Long time the manxome foe he sought–
So rested he by the Tumtum tree,
And stood awhile in thought.

And as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came whiffling through the tulgey wood,
And burbled as it came!

One, two! One, two! And through and through
The vorpal blade went snicker-snack!
He left it dead, and with its head
He went galumphing back.

‘And hast thou slain the Jabberwock?
Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Callooh! Callay!’
He chortled in his joy.

‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe;
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

‘It seems very pretty,’ she said when she had finished it, ‘but it’s RATHER hard to understand!’ (You see she didn’t like to confess, ever to herself, that she couldn’t make it out at all.) ‘Somehow it seems to fill my head with ideas–only I don’t exactly know what they are! However, SOMEBODY killed SOMETHING: that’s clear, at any rate–‘ “

Hier de fantastische illustratie die Pat Andrea erbij heeft gemaakt, nu te zien in het Haagse Gemeentemuseum ( zie ook mijn blog van gisteren)



“Jabberwocky” is in heel veel talen vertaald.

De website met de vertalingen geeft drie Nederlandse vertalingen aan:
De Krakelwok (Ab Westervaarder & René Kurpershoek)
Wauwelwok (Alfred Kossmann & C. Reedijk)
Koeterwaal ( Nicolaas Matsier)

———————————————————————————————————————


———————————————————————————————————————



Alice en de sprekende bloemen/ Pat Andrea


[…] ,,0, Tijgerlelie!” zei Alice, en ze wendde zich tot één die zich bevallig op de wind wiegde. “Ik wou dat u kon praten!”
“Dat kunnen we,” zei de Tijgerlelie, “als er iemand is die de moeite waard is.” Alice was zo verbaasd, dat ze een hele tijd niets kon zeggen: ze was gewoon ademloos. Tenslotte, toen de Tijgerlelie alsmaar bleef wiegen sprak ze weer, op een be­deesde fluistertoon: “En kunnen alle bloemen spreken ?”
“Net zo goed als jij,” zei de Tijgerlelie, “en heel wat luider.”
“Het staat niet, als wij beginnen, weet je,” zei de Roos, “en ik was werkelijk benieuwd of jij iets zou zeggen! Ik zei bij mezelf: ,Haar gezicht lijkt niet hele­maal dom, hoewel ze natuurlijk allerminst verstan­dig is! Toch heb je een goede kleur, en dat wil heel wat zeggen.’ ”
“Haar kleur kan me niet schelen,” merkte de Tijgerlelie op. “Als haar bloemblaadjes maar niet zo
hingen zou het best gaan.”

Hier bij Pat Andrea heeft Alice helemaal geen kleur.

De bloemen zijn onaardig tegen Alice, en gedragen zich als vinnige vrouwen die een vrouw van lagere status afkraken. De hele passage is dan ook een parodie op sentimentele bloemengedichten, waar vrouwen regelmatig met bloemen vergeleken worden. In dit hoofdstuk in Alice in Spiegelland nemen niet de vrouwen de eigenschappen van de bloemen over, zoals gebruikelijk in de poëzie, maar de bloemen hebben de onvriendelijkheid van gezelschapdames en geven steken onder water.


Hier een tijgerlelie van Maria Sibylla Merian, over wie ik eerder heb geschreven.

———————————————————————————————————————


———————————————————————————————————————




Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea


Paddestolen schieten omhoog in dit warm-vochtige weer, en vergaan net zo snel als zij zijn verschenen.



Bij Menno ter Braak, in Démasqué der Schoonheid, vond ik een schitterende formulering:

“[…] De paddestoel […] staat even te figureren als een schijnsolide compromis van vorm en ontbinding en zinkt weer weg in de oerpap, waaruit hij voortkwam; hij heeft zijn rol volmaakt en magistraal gespeeld, ook als hij de mens niet diende in de champignonsoep; men kan hem niets verwijten.”

“Een schijnsolide compromis van vorm en ontbinding”, wat ontzettend goed gezegd.

De paddestoel speelt ook in Alice in Wonderland een belangrijke rol, als magisch middel voor snelle groei en krimp:

“[..]
There was a large mushroom growing near her, about the same height as herself; and when she had looked under it, and on both sides of it, and behind it, it occurred to her that she might as well look and see what was on the top of it.
She stretched herself up on tiptoe, and peeped over the edge of the mushroom, and her eyes immediately met those of a large caterpillar, that was sitting on the top with its arms folded, quietly smoking a long hookah, and taking not the smallest notice of her or of anything else.[…]

In a minute or two the Caterpillar took the hookah out of its mouth and yawned once or twice, and shook itself. Then it got down off the mushroom, and crawled away in the grass, merely remarking as it went,
‘One side will make you grow taller, and the other side will make you grow shorter.’
‘One side of WHAT? The other side of WHAT?’ thought Alice to herself.
‘Of the mushroom,’ said the Caterpillar, just as if she had asked it aloud; and in another moment it was out of sight.
Alice remained looking thoughtfully at the mushroom for a minute, trying to make out which were the two sides of it; and as it was perfectly round, she found this a very difficult question. However, at last she stretched her arms round it as far as they would go, and broke off a bit of the edge with each hand.
‘And now which is which?’ she said to herself, and nibbled a little of the right-hand bit to try the effect: the next moment she felt a violent blow underneath her chin: it had struck her foot!
She was a good deal frightened by this very sudden change, but she felt that there was no time to be lost, as she was shrinking rapidly; so she set to work at once to eat some of the other bit. Her chin was pressed so closely against her foot, that there was hardly room to open her mouth; but she did it at last, and managed to swallow a morsel of the lefthand bit. […] ”

Pat Andrea heeft ook hiervan een mooie illustratie gemaakt, waar Alice zelf samenvalt met de paddestoel.


Alice zelf…. een schijnsolide compromis van vorm en ontbinding, zoals wij allemaal.

Alice in Wonderland is absoluut geen sentimenteel boek, en wie goed leest zal zien dat de dood dus ook vaak om de hoek komt kijken.


———————————————————————————————————————


———————————————————————————————————————



De eenhoorn Lewis Carroll/ Pat Andrea





Bij Lewis Carroll, Through the looking-glass, beschouwt de eenhoorn Alice als een fabeldier:


CHAPTER VII. The Lion and the Unicorn
[…]
‘Who are at it again?’ she ventured to ask.
‘Why the Lion and the Unicorn, of course,’ said the King.
‘Fighting for the crown?’
‘Yes, to be sure,’ said the King: ‘and the best of the joke is, that it’s MY crown all the while! Let’s run and see them.’ And they trotted off, Alice repeating to herself, as she ran, the words of the old song:–

‘The Lion and the Unicorn were fighting for the crown:
The Lion beat the Unicorn all round the town.
Some gave them white bread, some gave them brown;
Some gave them plum-cake and drummed them out of town.’

‘Does–the one–that wins–get the crown?’ she asked, as well as she could, for the run was putting her quite out of breath.
‘Dear me, no!’ said the King. ‘What an idea!’
‘Would you–be good enough,’ Alice panted out, after running a little further, ‘to stop a minute–just to get–one’s breath again?’
‘I’m GOOD enough,’ the King said, ‘only I’m not strong enough. You see, a minute goes by so fearfully quick. You might as well try to stop a Bandersnatch!’
Alice had no more breath for talking, so they trotted on in silence, till they came in sight of a great crowd, in the middle of which the Lion and Unicorn were fighting. They were in such a cloud of dust, that at first Alice could not make out which was which: but she soon managed to distinguish the Unicorn by his horn.
[…]
There was a pause in the fight just then, and the Lion and the Unicorn sat down, panting, while the King called out ‘Ten minutes allowed for refreshments!’ […]
At this moment the Unicorn sauntered by them, with his hands in his pockets. ‘I had the best of it this time?’ he said to the King, just glancing at him as he passed.
‘A little–a little,’ the King replied, rather nervously. ‘You shouldn’t have run him through with your horn, you know.’
‘It didn’t hurt him,’ the Unicorn said carelessly, and he was going on, when his eye happened to fall upon Alice: he turned round rather instantly, and stood for some time looking at her with an air of the deepest disgust.
‘What–is–this?’ he said at last.
‘This is a child!’ Haigha replied eagerly, coming in front of Alice to introduce her, and spreading out both his hands towards her in an Anglo-Saxon attitude. ‘We only found it to-day. It’s as large as life, and twice as natural!’
‘I always thought they were fabulous monsters!’ said the Unicorn. ‘Is it alive?’
‘It can talk,’ said Haigha, solemnly.
The Unicorn looked dreamily at Alice, and said ‘Talk, child.’
Alice could not help her lips curling up into a smile as she began: ‘Do you know, I always thought Unicorns were fabulous monsters, too! I never saw one alive before!’
‘Well, now that we HAVE seen each other,’ said the Unicorn, ‘if you’ll believe in me, I’ll believe in you. Is that a bargain?’
‘Yes, if you like,’ said Alice.
[…] The Lion looked at Alice wearily. ‘Are you animal–vegetable–or mineral?’ he said, yawning at every other word.
‘It’s a fabulous monster!’ the Unicorn cried out, before Alice could reply.
[…] ”

Kraai/Lewis Carroll/Pat Andrea

Een kraai kraait niet, maar krast. Het “kraa-kraa-kraa” werd vroeger begrepen als “cras-cras-cras” wat “morgen” betekent in het Latijn. Deze zondige duivelsvogel moedigde dus de mensen aan om het zondenbekentenis op te schorten tot “morgen” – en dat was voor Christenen zeker niet de bedoeling.

Een symbolische ambivalent-positieve betekenis heeft de kraai in Lewis Carrolls “Alice in spiegelland”.


[Illustratie Pat Andrea]

In het hoofdstuk “Twiedeldum en Twiedeldie” maakt een kraai de ruziemakenden Twiedeldum en Twiedeldie bang zodat zij ophouden te vechten:


“Just then flew down a monstrous crow,

As black as a tar-barrel;
Which frightened both the heroes so,
They quite forgot their quarrel.”

“Een angstaanjagende kraai vloog langs,
Zo zwart als roet en leer.
Dat maakte onze helden bang
En ze ruzieden niet meer.”
(vertaling Sofia Engelsman)

“Toen vloog een zwarte kraai voorbij
Een kraai zo godverlaten
Dat beide helden vechtpartij
En ruzie prompt vergaten.”
(vertaling Nicolaas Matsier- zeer elegant)

Angst voor een derde, dat helpt elke ruzie… tussen vrienden, partners, en in een land…..

Of: het perspectief van de dood maakt heel veel dingen triviaal.


Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Vandaag schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”

Hij schrijft:

“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”


Zijn ironie is prachtig en herinnert mij aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.

Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.


Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros”  (hier de tekst online) lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.


Alien astronoom


In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.


Alien ontbijt

Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“

Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef – hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.


Alien Muziek

Zie ook:

Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros


Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung


Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Een kunstenares die her en der verspreid op mijn Vk-blog te zien was is de Zwitserse surrealiste Meret Oppenheim.

Hier een overzicht van haar werken die voor mij persoonlijk belangrijk zijn- niet haar meest bekende werken.

Meret Oppenheim, Whywhy

Meret Oppenheim, Hand

Meret Oppenheim loeffel hexenkuche

Meret Oppenheim Maskierte Blume

Meret Oppenheim Neue Sterne

Meret Oppenheim Rabe

Meret Oppenheim, Regenbogen

Meret Oppenheim, Schlange in Rechteck

Meret Oppenheim Schlangengedicht

Meret Oppenheim Schlange und schwarze Steine

Meret Oppenheim Verzauberung

Meret Oppenheim Zwei Schlangen

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

View schrijf vandaag over Mondriaan. Weinigen weten dat ook hij op de nazi-tentoonstelling “Entartete Kunst” hing.


Ik heb eerder heel wat schilderijen van Mondriaan laten zien, vandaag hier een verzameling.


Ik houd enorm van Mondriaan in zijn vroege periode.

 


Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle, 1909

 

Mondriaan heeft er nog meer versies van gemaakt, zowel tekeningen als schilderijen.

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle

 

 

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle, 1909

 

 

 

 

 

 

 

Piet Mondriaan, Duin II, 1909

 

 

 

In de tentonstelling “Voorbij de horizon” (tot 7 februari 2010) in het Gemeentemuseum Den Haag hingen meerdere schitterende duin-schilderijen van Mondriaan.

 

Felgekleurd, stemmig, woest, vriendelijk, vlak, glooiend, figuratief, abstract twee- én driedimensionaal: het landschap doet zich in de moderne kunst op vele manieren voor. Van landschappen vol dramatiek en emotie in de romantiek tot volledig abstracte werken in de jaren zestig van de twintigste eeuw, waarbij de land art kunstenaars het fysieke landschap gebruiken als drager voor een kunstwerk. De tentoonstelling Voorbij de horizon toont hoe de verbeelding van het landschap de laatste twee eeuwen is veranderd en hoe de manier waarop het landschap werd weergegeven exemplarisch was voor de gedachten over kunst en de verbeelding van de realiteit in een bepaalde tijdgeest.

Mondriaan vervaardigde aan het begin van de twintigste eeuw enkele zonovergoten luministische duinlandschappen. In deze werken experimenteerde hij met de weergave van licht, zowel boven de horizon als gereflecteerd in zee.”

 

 

“Duin I”, “DuinII”en “Duin III” hangen hier naast elkaar:

 

Piet Mondriaan, Duin I

 

 

 Piet Mondriaan, Duin II

 

Piet Mondriaan,  Duin III

 

In de tentoonstelling “Cézanne Picasso Mondriaan in nieuw perspectief”,  ook in het Haagse Gemeentemuseum, zijn twee schitternde duinlandschappen van Mondriaan  in zeer groot formaat te zien:

 

 

Piet Mondriaan, Duinen bij domburg, 1910

 

 

Piet Mondriaan, Duinlandschap, 1911

 

Uit de Catalogus bij de tentoonstelling:

 

“[..] Duinlandschap is een [..] voorbeeld van wat Modriaan begreep als ‘kubisme’. 

Zoals in het luminisme de schildertoets, de kleur, uit elkaar genomen en ‘gedivisioneerd’ werd (zoals dat heette), zo ‘divisioneerde’ Mondriaan de vorm van het uitge­strekte en kale duingebied bij Vrouwenpolder, met uitzicht over het Veerse gat op de kust van Noord-­Beveland. De opbouw van deze voorstelling is een combinatie van schichtige hardgroene en fel blauwe driehoeken, doorschoten met zacht violette banen,in de lucht voor de wolken en in het landschap voor de duinen.

Opvallend zijn de vinnige, korte, evenwijdig lopende verfstreken waaruit alle facetten zijn opge­bouwd. Met name de harde combinatie van het blauw en het groen bracht hem in de buurt van de door hem bewonderde Van Dongen en van Sluijters. Ook zij maakten in hun recente werk gebruik van die harde, vlakke kleurencombinatie. Maar juist de ontstane afwijking van de natuurlijke vorm bracht Mondriaan in Duinlandschap ook dicht in de buurt van een streven naar abstractheid, van meer en meer vergeestelijking. Want het moderne, het vergeestelijkte, moet zich niet alleen in symbolen, maar ook in lijnen openbaren.” (p 64)

 

 

Maan_en_molen_mondriaan

 

 

 

Mondriaan_zomernacht

 

 

Piet_mondriaan,_Avond_rode_boom

 

 

Piet_mondriaan_zee_na_zonsondergang_1909

 

 

Piet_mondrian_passiebloem_passion_flower.jpg

 

 

En als laatste, een redelijk abstracte…

 

 

 

Mondriaan_kleurenschaakbord_1919

 

Vertalen
Duits Vertaalbureau Duits

Mijn leukste blogs- vind ik zelf- zijn de surrealistische foto-blogs en de theatrale straatacties.

In augustus 2008 heb ik de verslaggeving van de Volkskrant verbonden met leuke acties plus foto’s.

Ik herhaal het hier bij de start van mijn Worldpress-blog, en herhaal ook de schitterende reacties van Joke en van Marius.

Björn Borg ondergoed of boerkini- alles kan in Leidse grachten!

“Zweet parelt op het voorhoofd van zwembaddirecteur Hans Meijer uit Zwolle. Dook een paar maanden geleden een vrouw in boerkini zijn Hanzebad in, nu waren het de jongens met hippe onderbroeken ónder hun zwembroek die Meijers dag verstoorden.
Hij geloofde zijn ogen niet toen hij de eerste jongens het zwembad in zag gaan – met merk-onderbroek onder de bermudazwembroek. Er is volgens Meijer geen sprake van een rage. In het Zwolse bad beperkte de nieuwe mode zich tot een tiener of zes.

Mode of niet: de onderbroek is verboden in Meijers zwembad. ‘Het is niet hygiënisch’, vertelt hij. ‘Met een beetje pech heeft de drager van het luxe broekje er de voorgaande nacht al flink in liggen zweten en zwemt hij vervolgens doodleuk rond in het Hanzebad.’ ”

Dit meldt de Volkskrant in augustus 2008.

Zwembaddirecteur Hans Meijer had eerder in dat jaar 2008 al bekendheid verworven met zijn Boerkiniverbod.

Hier de Leidse Rechtenfaculteit, het Kamerlingh-Onnes-gebouw, waar de hoofdoekjesvreters Bolkestein, Cliteur en Ellian zitten….


…..gezien door de treurwilgen van het Van der Werfpark, gelegen  aan de overkant van de gracht.

In de Leidse grachten mag men zwemmen, maakt niet uit
of in boerkini of vieze onderbroek.

Wie de 36,95 euro voor en Björn-Borg- onderbroek niet heeft
kan ook zelf aan de slag ….

[ondergoed Zeeman, prijs voor hempje en onderbroek totaal ca 2 euro]

Reacties

Joke Mizée : (Mochten ze nou vragen wat je aan het doen bent, hou het dan vooral abstract en vermijd het woord ‘zwemmen’ – en wel hierom:
Artikel 5.3.3.10 Zwemmen in openbaar water

1. Het is verboden in openbaar water te zwemmen of te baden.
2. Burgemeester en wethouders kunnen wateren of gedeelten van wateren aanwijzen met betrekking tot welke het verbod, vervat in het eerste lid, niet geldt.
… bij het van der Werfpark kan men echter hooguit van grondelen spreken, dus dat zit wel goed.)

Gezien de inhoud van Leidse APV mag je hier een stuk of honderd dingen niet die in de rest van het land wel mogen. Maar er staat niets in over kledingvoorschriften, dus open en bloot streaken kan dan weer wèl, in deze enclave. De afgelopen warme dagen heb ik mannen voorbij zien komen die dat zo half in de praktijk brachten. Zou ik de enige autochtoon zijn die zich wel eens daaraan ergert?



Reactie

Marius van Artaaa 31-07-2009 08:53

een goede demonstratie en inderdaad, Maria, als we allemaal burka’s dragen en daaronder de lingerie van Björn dan hebben we verder geen kleren nodig, kunnen we op zomerse dagen zonder Burka door stad en land banjeren, kunnen we overal meteen zwemmen, slapen, chillen enz. ZONDER LAST TE HEBBEN VAN ONS SOORT MENSEN, we zijn DE MENSHEID, we zijn DE WERELD.

De kledingindustrie, die al onze verbeelding heeft gemonopoliseerd, waar de meeste slavenarbeid in plaats vindt, waar ontwerpers voor halve goden worden versleten, waar de elite ons geld naartoe sleept enz. enz. zou meteen op haar gat liggen. Wij zouden heel wat centjes overhouden om zelf mooie burka’s en björns te maken, meer met elkaar uit te gaan, grotere festen met elkaar te vieren enz. enz.

Een sociaal experiment van pakweg een maand, waarin we dat echt doen, zou ook interessant zijn voor de hypothese dat onze vooroordelen jegens elkaar voornamelijk berusten op uiterlijkheden. We zouden tevens kunnen ervaren hoe het is om volstrekt anoniem met elkaar maatschappelijk te verkeren. We zouden vooraf aan en in ieder contact geen last meer hebben van lichaamstaal, sociale categorisatie en discriminatie. We zouden leven zoals we over het algemeen communiceren, MOBIEL. Het lichaam is niet langer de bron voor identiteitsbepaling, het vervoert slechts de geest voor wie het zien van het andere lichaam en zijn voorkeuren te zeer daarvan afleiden.

Zelfs zou ik graag nu verkiezingen willen hebben met dit als enige programmapunt. Wat vindt iedere partij nu precies van de kleren van de kiezers….

Alle aanhangers van een monocultuur zouden politiek hun doel met slechts één wetsartikel al bereiken, dat die kledij standaard voorschrijft.

Sterker nog een monocultuur, die monologisch alles het liefst in één standpunt uitdrukt, zou de grondwet tot 1 artikel over kledingvoorschriften kunnen beperken.

Of hebben we bij de angst voor een compleet bekleed lichaam en zwemmen in je onderbroek (wat juist een oerhollandse badmode is) te maken met de ellende die ook beulen na hun werk moeten doorstaan?

Na de rechter knappen zij het vuile werk op voor iedere natie die de dood als straf gerechtigheid noemt en de dood als aanslag moord. Hij zit snachts met de brokken in bed te huilen. Kan niet slapen van het gekerm, de gezichten , ogen, handen, ademhaling enz. van hun slachtoffers. Heeft de doodskap ingevoerd om het zakelijk te houden. Weet echter als geen ander dat als je iemand tekort doet, je nooit meer van de echo afkomt.

Kortom, als we van de beul uitgaan, die voor ons de wetsovertreder doodt, dan zouden we ook moeten erkennen dat een kap helpt om jezelf op het moment dat je de ander zijn leefstijl of vrijheidsrecht ontneemt geen pijn te doen, dat een vonnis altijd een vervelende echo houdt, dat geen doodvonnis voor alle partijen het gunstigst is.

Dat geldt evengoed voor het doodsvonnis over kleding als over een geloof, een verschijningsvorm, een voorkeur voor wat je draagt.

Overigens, zou de nieuwe vreemdelingenangst voor vervuilend zweet en verborgen gezichten nog eens goed door psychanalytici bekeken moeten worden, wellicht dat we dan erachter komen wat ons verlangen is geworden: welke sexualiteit huist er achter? welk oraal, anaal of genitaal conflict? welke fixatie? Roept u maar.

Voor de milieubeweging is er een geheel nieuwe uitdaging in Zwolle geboren: het maatschappelijk landschap van zweet en verborgen facies reinigen.

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Het Holocaust-monument in Berlijn is een controversieel monument. Het meest problematisch zijn de duizenden touristen die zich picknickend, zingend, joelend en vermakend om en op het monument bevinden.

Het monument bestaat uit 2711 betonblokken variërend in hoogte van 20 cm tot 4,5 meter met een tussenruimte van 95 cm. Onder het veld met de blokken is een expositieruimte ingericht. De Amerikaanse architect Peter Eisenman heeft het monument ontworpen.

Door toeval bevond ik mij in augustus bij volle maan s’avonds naast dit monument.

Het was heel stil.

We zagen bijna niemand.

Het is zeer moeilijk te beschrijven hoe het voelde.

Ik kan het iedereen aanbevelen om het monument s’nachts te bezoeken.

Ach, arme maan,
wat heb je toch al veel gezien.

,,

 

Hier nog een tekst van de Leidse Cleveringhoogleraar Hans Blom over de Holocaust:

We werkten mee aan de vervolging

[de Volkskrant 1 mei 2010]


We neigen ertoe de Holocaust te zien als iets dat zich buiten ons om voltrok. Maar het was ook gewoon mensenwerk.


HANS BLOM

Het blijft een schokkend gegeven: van de omstreeks 500 Joden die in 1942/1943 in Leiden woonden zijn er zeker 270 vermoord. Alle reden om voor hen een gedenkteken op te richten. Maar er is meer dan alleen die herinnering aan de vermoorde, gedeporteerde en op de vlucht gedreven medeburgers. Er is het even schokkende gegeven dat dit gebeurde in de stad Leiden, waar zoiets nog maar kort daarvoor volstrekt ondenkbaar was geweest. Bij dát vraagstuk wil ik vandaag kort stil staan. De stad Leiden die een traditie van asielverlening wil hooghouden, dient zich rekenschap te blijven geven van het feit dat deze deportatie zich in de eigen gemeenschap voltrok.


Natuurlijk, het is niet in Leiden bedacht. Het is ook niet in Nederland bedacht. Het is evident een gevolg van het feit dat het in Duitsland aan de macht gekomen nationaal-socialisme Nederland had bezet en de verwijdering en uiteindelijke uitroeiing van de Joden als doelstelling had en tot uitvoering bracht. Daar lag de wil, daar lag het initiatief en de uiteindelijke basis voor de praktijk van registratie, isoleren, beroven, deportatie en tenslotte, meestal buiten Nederland, vermoorden. Maar het is veel te gemakkelijk het te laten bij het wijzen naar de evidente externe daders en hun interne handlangers en die als het ultieme kwaad aan te merken dat alles veroorzaakte.


Het daar bij laten, gaat voorbij aan de gecompliceerdheid van het historisch proces waarin altijd vele factoren een rol spelen. Zoals het feit dat dit nationaal-socialistische vernietigings-antisemtisme tenminste ten dele wortelt in een eeuwenoude Europese traditie van uitsluiting van Joden, ook in Nederland. Het neigt er ook toe de Holocaust of Shoah te zien als iets dat zich min of meer als een natuurramp buiten ons om onontkoombaar voltrok. Maar dat miskent dat geschiedenis in de letterlijke betekenis van het woord mensenwerk is. Geschiedenis gáát niet alleen over mensen, maar wordt ook gemaakt door mensen, individueel en groepsgewijze. De dynamiek van het historisch proces wordt in essentie bepaald door de eindeloze interactie van onuitputtelijke reeksen menselijk handelingen en beslissingen (ook om dingen niet te doen). Die mensen handelen bewust, onbewust en vooral in gecompliceerde mengvormen daarvan. Zij beslissen individueel, maar tegelijk in een enorme variëteit van groepen. Zelfs als het in de uiterlijk vorm om zogenaamde anonieme instituties gaat, gaat het uiteindelijk toch steeds om menselijk handelen. Dat geldt ook voor meestal moeiteloos gehanteerde abstracte begrippen om de werkelijkheid van het verleden aan te duiden, zoals de Shoah: het blijven reeksen van menselijk handelen.


In dit verband is ook van belang vast te stellen dat elke historische situatie in beginsel open is. Het vervolg staat niet vast. De geschiedenis voltrekt zich niet gedetermineerd. Zij is weliswaar niet omkeerbaar, maar zij was nooit bij voorbaat onvermijdelijk, hoezeer dat soms ook zo lijkt. In de praktijk zijn de marges soms smal, maar al die menselijke beslissingen en handelingen, die in interactie de voorzetting van het historisch proces bepalen, beïnvloeden die feitelijke voorzetting. Zij doen er dus toe.

Dit drukt ons met de neus op ieders individuele verantwoordelijkheid in het historisch proces. Indien ons handelen volstrekt gedetermineerd zou zijn, voltrekt de werkelijkheid zich buiten ons om, zijn wij speelbal. Maar de betekenis van beslissingen, keuzen dus, op alle niveaus is aantoonbaar. De ten minste relatieve openheid van elke historische situatie is zo tevens de voorwaarde voor een samenleving waarin mensen ook verantwoordelijk zijn voor hun handelen, de genoemde smalle marges ten spijt. Dat is behalve een mooie ook een beangstigende gedachte. Zij brengt ons na dit rijkelijk abstracte betoog ook terug bij de werkelijkheid van het verleden van oorlog, bezetting en vervolging tot en met massamoord.


Die harde werkelijkheid van toen laat zien dat tal van Nederlandse instellingen, ook in Leiden, hebben meegewerkt aan het proces van vervolging. De locatie van twee koffers van het monument bij het voormalig politiebureau, dat als het zenuwcentrum van de praktische operatie van het ophalen van de Joden in Leiden kan gelden, wil daarop attenderen. Het is van belang er op te wijzen dat dit niet beoogt te zeggen dat de Leidse politie de enige, of zelfs maar de belangrijkste, handelende instantie was.

Integendeel, dat meewerken geldt voor de hele toenmalige overheid als institutie, met de bevolkingsregistratie als ander aansprekend voorbeeld. Het belang van het onderkennen van het element van menselijk handelen springt ook in het oog als men bedenkt dat er tevens individuen in die instituties werkzaam waren die anders kozen: de politiemannen die Joden waarschuwden of weigerden aan het ophalen van Joden mee te werken bijvoorbeeld.

Het zou ook onjuist zijn alleen op de instellingen te wijzen. Houding en gedrag van de bevolking in brede zin, in feite dus tienduizenden individuele inwoners van de stad, was even belangrijk. Zij kozen – in de woordkeus van zojuist – soms bewust, soms onbewust maar meestal in een ingewikkelde mengvorm daarvan, er op grote schaal voor niet te handelen, vaak tegen hun gevoel in of menend geen andere keus te hebben. Mede daarom kon het allemaal gebeuren, al is het zinloze speculatie nu te proberen vast te stellen wat er zou zijn gebeurd bij andere keuzen. Die andere keuzen kwamen trouwens wel degelijk voor – laat daar geen twijfel over zijn – zowel toen de vervolging begon als tijdens het feitelijk ophalen zelf. Er waren publieke protesten (zoals de rede van Cleveringa op 26 november 1940) en er werd uit vrije wil hulp geboden bij onderduik of vlucht. Maar toen later in de bezettingstijd actief en passief verzet vaker begon voor te komen, waren er in het openbaar geen Joden meer te vinden. Zij waren al afgevoerd en vermoord of ondergedoken dan wel gevlucht. In de ogen van de nationaal-socialistische bezetter was dat een succes: Nederland, Leiden was Judenrein.

 


Ik zei het al. Mijn betoog is angstaanjagend en zelfs huiveringwekkend. Als historicus houd ik mij al lang met dit soort vraagstukken bezig om inzicht in dit historisch proces te krijgen, het eerst zo goed mogelijk te reconstrueren en vervolgens te analyseren en interpreteren, zo mogelijk ook werkelijk te verklaren en begrijpen. Dat vereist een afstandelijke houding. Maar nu spreek ik als betrokken lid van onze samenleving, als Leids burger. Dat leidt tot een ander soort conclusie. Wij dienen naar mijn overtuiging, met inachtneming van de resultaten van onafhankelijk en afstandelijk historisch onderzoek, ons rekenschap te geven van dit deel van ons verleden. Wij dienen ons te realiseren dat het verleden zich weliswaar niet in dezelfde vorm herhaalt en dat er geen eenvoudige lessen uit dat verleden zijn te halen. De Shoah was zoals alle historische processen op een bepaalde manier in de concrete verschijningsvorm uniek. Maar tegelijk komen uitsluiting van en massamoord op medeburgers in de geschiedenis veelvuldig voor.


Met afschuw nemen wij ook in het heden veel gruwelijke actualiteit elders waar en wij zijn geneigd ons daarbij te koesteren in onze democratische rechtsstaat, verzorgingssamenleving en materiële welvaart. Maar die actualiteit elders en het verleden, ook ons eigen verleden, nopen juist tot alertheid. Het kan in zekere zin zomaar opnieuw gebeuren, zij het in andere concrete vormen, ook bij ons. De kwaliteit van onze samenleving spreekt niet vanzelf, maar heeft behoefte aan voortdurend groot en klein onderhoud. Daarbij is van belang ons te bezinnen ook op gebeurtenissen en processen uit het verleden als gevolgen van menselijk handelen, hier in Leiden dus op het feit dat van de 500 Joden er 270 konden worden vermoord en de anderen moesten ‘verdwijnen’. Het monument beoogt een voortdurend in de stad aanwezige aansporing te zijn tot dat bezinnen en tot die alertheid.

Op 17 maart 2010 werd in Leiden een monument onthuld ter herdenking van de tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgde en vermoorde Joodse stadgenoten. Die datum is niet toevallig gekozen. Op 17 maart 1943 werd het sinds 1929 nieuw op de hoek van de Cronesteinkade en de Roodenburgerstraat in Leiden gevestigde Centraal Israëlitisch Wees- en Doorgangshuis Machseh Lajesoumim op last van de bezetter door de Leidse politie ontruimd. 51 kinderen en 9 personeelsleden werden naar het station gebracht, naar Westerbork vervoerd en later naar Oost Europa gedeporteerd. Op vier na zijn zij daar omgekomen, de meesten in Sobibor. Deze ‘ontruiming’ was onderdeel van een grotere actie in maart 1943 onder leiding van de Haagse SD om de in Leiden (en Den Haag en Delft) wonende Joden op te halen.

Met de naderende ontruiming was in het weeshuis rekening gehouden. Men was gewaarschuwd. Rugzakken met kleding en schoenen stonden al klaar. Een klein aantal bewoners was ondergedoken. Op de in februari opgestelde lijst stonden 74 namen. Maar de directeur van het weeshuis, N. Italie voelde niet voor onderduiken. Hij wenste de groep bij elkaar te houden en de verantwoordelijkheid niet uit handen te geven aan vreemde, niet-Joodse families. De hele actie verliep voor de bezetter zonder problemen. De dienstdoende hoofdinspecteur van politie P.W. van der Wal weigerde weliswaar leiding te geven, maar zijn taak werd overgenomen door een collega. Van der Wal werd gearresteerd en later ontslagen. Hij overleefde de oorlog. Tenminste één andere politieman, O.P Rozemeijer, weigerde ook medewerking. Hij bleef wel nog enige tijd in dienst, maar werd in 1944 toch om een andere aanleiding gearresteerd. Hij overleefde Buchenwald niet.

Deze dramatische gebeurtenis is een van de beeldbepalende herinneringen in Leiden aan de bezettingstijd.

 

holocaust herdenkingsdag, holocaust monument, berlijn, hans blom, holocaust

Duitsland